CDNA Nieuwsberichten

Recente CDNA-besluiten

18 juni 2017  ·  Eddy Nieuwstraten

Tijdens de (uitgestelde) wintervergadering van de Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna (CDNA) op 12 maart 2017 zijn diverse dossiers besproken en zijn de volgende beslissingen genomen.

Op het personele vlak werd afscheid genomen van Roy Slaterus; statutair kwam er na acht jaar een einde aan zijn lidmaatschap. Roy diende vaak als geheugen van de CDNA en wist feilloos beslissingen uit het verleden toe te lichten; zijn beoordelingen waren doordacht en zijn kennis van geluiden was regelmatig van doorslaggevend belang. Thijs Fijen is als opvolger van Roy benoemd. Marcel Haas heeft aangegeven te stoppen als archivaris. De archivaris vervult een belangrijke rol bij het zo soepel mogelijk laten circuleren van (zo compleet mogelijke) dossiers. Er is een voorkeur uitgesproken voor invulling van deze functie als duobaan; naast Marcel wordt deze rol momenteel vervuld door August van Rijn. Inmiddels is Gerjon Gelling bereid gevonden om de rol van Marcel over te nemen. De commissie is Marcel en Roy zeer erkentelijk voor hun jarenlange inspanningen. Met het afzwaaien van Marcel en Roy verdwijnen de twee belangrijkste trekkers van het CDNA-jaarverslag. Om te zorgen dat een goede overdracht van werkzaamheden kan plaatsvinden worden Marcel en Roy nog betrokken bij het jaarverslag 2016.

Jeroen van Vianen was bij de vergadering aanwezig om te inventariseren welke wensen er liggen om het digitale roulatie- en beoordelingssysteem nog verder te verbeteren. Een aantal technische wensen is inmiddels al doorgevoerd. Verder is besloten om het bestaande indienformulier voor beoordeeltaxa te verbeteren en om twee nieuwe formulieren te ontwikkelen: één voor ringvangsten en één voor datumuitbreiding van reeds aanvaarde gevallen.

Met betrekking tot drie soortparen is een beleidslijn voorbereid over hoe om te gaan met de beoordeling van hybriden: het betreft (hybriden van) Bastaardarend Aquila clanga en Schreeuwarend A pomarina, Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus en Zwarte Roodstaart P ochruros (in relatie tot Oosterse Zwarte Roodstaart P o phoenicuroides), en Witkopgors Emberiza leucocephalos en Geelgors E citrinella. Besloten is per soortgroep de voorgestelde lijn verder uit te werken en te toetsen of deze werkbaar is bij de beoordeling. Daarnaast is besloten om de beschreven aanpak samen te vatten in een nieuwe lijn voor de beoordeling van hybriden die in het Handboek CDNA kan worden opgeno­men. Voor een aantal ingediende gevallen betekent dit dat de besluitvorming tijdelijk wordt uitgesteld (bijvoorbeeld: mogelijke Oosterse Zwarte Roodstaarten waarvan de primary spacing niet fotografisch is vastgelegd). Besluitvorming over deze gevallen zal waarschijnlijk niet voor de zomer plaatsvinden.

Na uitvoerige discussie op basis van de aangeleverde informatie, literatuur en aanvullende gegevens die zijn verzameld heeft de CDNA een standpunt ingenomen over de status van Lammergier Gypaetus barbatus. Met betrekking tot dit uiterst complexe dossier zijn de volgende standpunten ingenomen: 1 het is aannemelijk dat de vogel van de Sallandse Heuvelrug, Overijssel, in mei 2015 (ook gezien in Friesland en Groningen) en alle vergelijkbare recente waarnemingen in Nederland afkomstig zijn van herintroductieprojecten; 2 op dit moment is er onvoldoende onderbouwing voor de theorie dat het recente voorkomen van Lammergieren in Noordwest-Europa een gevolg is van natuurlijk gedrag van de soort; en 3 daarom kunnen Lammergieren in Nederland voor­alsnog niet als wild worden beschouwd. Een meer uitgebreide toelichting is te vinden op www.dutchbirding.nl/dbactueel/1397/nadere_toelichting_besluit_lammergier. Geconstateerd is verder dat de huidige richtlijn voor herintroducties in het Handboek CDNA te weinig criteria bevat om tot evenwichtige besluitvorming te kunnen komen. Besloten is daarom om te onderzoeken of aanvullende criteria mogelijk en toepasbaar zijn. Een eventueel nieuwe beleidslijn zal ook antwoord moeten geven op de vraag of en wanneer in het wild uitgevlogen Lammergieren die voortkomen uit een herintroductieproject ooit aanvaardbaar zullen zijn als wilde vogels.

Op basis van recent genetisch onderzoek naar Sierlijke Sterns Sterna elegans (en hybriden) in Europa is besloten om Nederlandse gevallen die mogelijk betrekking hebben op deze soort in herroulatie te brengen; het betreft oranjesnavelige sterns te Wassenaar, Zuid-Holland, en Petten, Noord-Holland (9-10 juni 2002, zelfde exemplaar; Dutch Birding 24: 256-259, 2002) en Texel, Noord-Holland (16 juli 2006; Dutch Birding 28: 247, plaat 341, 2006). De recente aanvaarding van de vogel in Zeebrugge, West-Vlaanderen, België (juli 1988; Dutch Birding 13: 161-169, 1992) wordt bij de herrou­latie betrokken.

Met betrekking tot het afvoeren van te beoordelen taxa is een besluit genomen over IJslandse Koperwiek Turdus iliacus coburni. Met de aanvaarding van een exemplaar op Vlieland, Friesland, in oktober 2014 als eerste geval voor Nederland, ontstond de vraag hoe zeldzaam dit taxon daadwerkelijk is, en of het thuishoort op de lijst van beoordeeltaxa. Met ingang van 2015 werd ervoor gekozen het beoordelen van dit taxon ‘on hold’ te zetten om eerst een beter beeld van het voorkomen te krijgen. De CDNA heeft inmiddels een verkenning uitgevoerd met betrekking tot goed gefoto­grafeerde waarnemingen in 2015-2016. De determinatieproblematiek van dit taxon, versterkt door de variatie bij zowel coburni als nominaat T i iliacus, leidt er toe dat alleen duidelijke exemplaren op basis van het totale palet aan veldkenmerken met zekerheid kunnen worden herkend. Op basis van de genoemde verkenning is de conclusie dat voor beide jaren minimaal vijf, maar waarschijnlijk meer, waarnemingen voor acceptatie als coburni in aanmerking zouden komen. De CDNA leidt hieruit af dat dit taxon een schaars voorkomen heeft en niet zeldzaam genoeg is om te worden beoordeeld. Besloten is daarom om dit taxon met terugwerkende kracht af te voeren van de lijst van beoordeeltaxa. De waarneming van 2014 en waarnemingen nadien heb­ben duidelijk bijgedragen aan betere inzichten in het voorkomen van dit taxon in Nederland. Over 2015 en 2016 valt op dat coburni pas laat in het najaar aankomt, gedurende eind oktober en november, mogelijk beïnvloed door stevige noordwestenwinden. Het is niet ondenkbaar dat er sprake is van een influxachtig voorkomen maar dat is op basis van beide onderzochte jaren niet met zekerheid te bepalen. De komende jaren zal blijken welke patronen in voorkomen zich aftekenen.

Ten slotte zijn nog enkele andere thema’s kort besproken. Zo is de werksnelheid een terugkerend thema. De snelheid van rouleren is weliswaar al verbeterd maar is als speerpunt voor 2017 benoemd. Wel blijft zorgvuldigheid voorop staan en zullen complexe dossiers er nooit ‘doorheen gejast’ worden. Verder kwamen zaken aan de orde als de relatie met de Nederlandse Ornithologische Unie (NOU) en DBA en communicatie vanuit de CDNA naar buiten toe.  

Eddy Nieuwstraten