Commissie Dwaalgasten Nederlandse Avifauna

Criteria voor aanvaarding van ‘oostelijke gele kwikstaart’

19 september 2026  ·  Enno B Ebels

Onlangs heeft de CDNA de waarneming aanvaard van een ‘oostelijke gele kwikstaart’ Motacilla tschutschensis/macronyx/taivana op Texel, Noord-Holland, op 15-19 oktober 2022 (www.dutchavifauna.nl//record/69571). Onder de taxonomische indeling van Avilist die door Dutch Birding en de CDNA in de nabije toekomst zal worden overgenomen is dit een soort, Oostelijke Gele Kwikstaart M tschutschensis, met een aantal ondersoorten. Dit betrof het tweede geval voor Nederland, na de waarneming op Vlieland, Friesland, op 13 oktober 2008 (www.dutchavifauna.nl/record/67113). Er is de laatste jaren een toename van het aantal meldingen in Nederland en ook breder in Europa lijkt dit taxon frequenter op te duiken en/of neemt de alertheid van waarnemers toe. De criteria voor aanvaarding zijn strikt omdat binnen het complex van ‘gele kwikstaarten’ sprake is van veel variatie en overgangspopulaties; het vaststellen van wat ‘aanvaardbaar’ is vraagt daarom om precisie en duidelijkheid. In deze mededeling geeft de CDNA aan hoe – met de kennis van nu – naar de beoordeling wordt gekeken. Voor aanvaarding zijn zowel uiterlijk als geluid van groot belang en als er DNA-materiaal is verzameld en geanalyseerd, dan kan DNA-analyse een belangrijke rol spelen.

Geluid en uiterlijk
In de ‘goede tijd’ (september-november) is de combinatie van een grijswit tot grijsbruin verenkleed (zonder geeltinten) in combinatie met een raspende roep meestal de eerste aanwijzing voor een (eerstejaars) oostelijke gele kwikstaart. Ook in de wintermaanden zijn dergelijke vogels het checken waard; er zijn elders in Europa meerdere overwinteringsgevallen. Over de determinatie van exemplaren in adult(-type) kleed (eerste voorjaar en ouder) is minder bekend, waardoor het onderstaande vooral geldt voor eerste-kalenderjaar vogels. De CDNA verwelkomt echter altijd onderbouwde indieningen van adult(-type) vogels. Aanvaarding van eerste-kalenderjaar vogels is alleen mogelijk op basis van een combinatie van geluid en verenkleed.

Voor aanvaarding moeten er meerdere (als vuistregel drie of meer) geluidsstrofes duidelijk hoorbaar en op sonagrammen zichtbaar zijn, zodat variatie en consistentie zijn te bepalen. De roep moet in het dalende deel een duidelijke r-klank hebben, hoorbaar in opnames en zichtbaar in sonagrammen. Het moet overtuigend zijn aangetoond dat de roep toebehoorde aan de ‘grijsbruine kwikstaart’. Vanwege de sterk gelijkende roep van Citroenkwikstaart M citreola of van hybriden of ‘intergrades’ is een goede roep in combinatie met een summiere beschrijving (‘gele kwikstaart zonder geel’) onvoldoende voor aanvaarding. Voor de roep zijn de criteria zoals opgesteld door Sander Bot, Dick Groenendijk en Herman van Oosten leidend (Dutch Birding 36: 295-311, 2014). De roep die vaak in vlucht wordt gehoord is het belangrijkste kenmerk; deze bestaat uit twee delen: een stijgend, ‘glad’ deel en een dalend deel. Dit dalende deel is ook ‘glad’ bij noordwestelijke taxa (Engelse M flavissima, Gele M flava (inclusief Russische M f beema) en Noordse Kwikstaart M thunbergi) maar heeft een ‘zaagtandvorm’ bij oostelijke gele kwikstaart, waardoor dit deel (maar in feite de vluchtroep als geheel) raspend klinkt. Bij Witkeelkwikstaart M cinereocapilla en Balkankwikstaart M feldegg heeft het dalende deel ook een zaagtandvorm, maar is in de regel een knikje waarneembaar in het stijgende eerste deel. De roep van Citroenkwikstaart heeft ook een zaagtandvorm in het dalende deel en klinkt dus ook raspend, maar de vorm verschilt subtiel van oostelijke gele kwikstaart. Omdat de zang van het gehele gele-kwikstaartcomplex ook raspende geluiden bevat is het van belang roep en zang te onderscheiden, temeer omdat zangelementen niet alleen in het broedgebied worden gebruikt. De roep verschilt van zang doordat de roep: 1 korter is; 2 de zaagtandstructuur op het tweede, dalende gedeelte van de vlucht roep meer geprononceerd is; en 3 het eerste, stijgende deel van de roep complexer is. Bij vogels in het eerste najaar is de kans op zang overigens beperkt.

Met betrekking tot het uiterlijk zijn de volgende kenmerken van belang. Oostelijke gele kwikstaarten hebben gemiddeld een langere achternagel dan noordwestelijke taxa, maar er is overlap. Het ontbreken van geel in het kleed is bij eerste-winter exemplaren van westelijke taxa in Europa zeer zeldzaam, terwijl dit kleed bij oostelijke gele kwikstaarten bij een derde tot de helft van de individuen voorkomt. Hierdoor is een ‘koud’ (grijswit) kleed bij eerste-winter vogels een goede indicatie voor een oostelijke herkomst. Hoewel het vaak geheel grijswitte verenkleed lijkt op eerste-winter Citroenkwikstaart, verschillen oostelijke gele kwikstaarten door: 1 een meestal lichte basis van de ondersnavel; 2 minder brede witte vleugelstrepen; en 3 geen geheel licht omrande wang (zoals bij de meeste Citroenkwikstaarten). Vergeleken met grijswitte onvolwassen Gele Kwikstaarten is het koppatroon wat contrastrijker en zijn de bovendelen donkerder grijsbruin. Een complicerende factor vormen hybriden van Citroenkwikstaart met andere taxa uit het gele kwikstaart-complex (er is een aantal broedgevallen gedocumenteerd in Europa), die in morfologie vermoedelijk sterk op oostelijke gele kunnen lijken. Voor aanvaarding moeten ten minste het koppatroon en het vleugelpatroon goed zijn gedocumenteerd/gefotografeerd. Het kenmerk van de achternagel is vaak moeilijk te documenteren en vanwege de overlap niet gauw doorslaggevend maar bij een extreem exemplaar waarvan de nagels goed zijn gedocumenteerd en/of bij meting in de hand kan het kenmerk de aanvaarding ondersteunen.

DNA-analyse
Met betrekking tot DNA-analyse hanteert de CDNA de volgende regels: 1 gevallen zonder DNA-analyse zijn alleen aanvaardbaar als het om een compleet dossier gaat en alle kenmerken in de geluidsopnamen en beeldmateriaal eenduidig wijzen op een oostelijke gele kwikstaart; 2 positieve DNA-analyse kan bij gevallen met beperktere documentatie de doorslag geven voor aanvaarding; en 3 negatieve DNA-analyse (ie, wanneer een meer westelijke herkomst of intergrade niet is uitgesloten) leidt altijd tot afwijzing, ook als alle andere kenmerken (lijken te) passen op oostelijke gele. Voorbeelden van exemplaren met ‘foute’ DNA-resultaten (analyses door Peter de Knijff, gepresenteerd op verschillende DBA-dagen) zijn de veelbezochte vogels van Rhoon, Zuid-Holland, in december 2018 en van Peazens (Paesens), Friesland, in november 2024, die vanwege de ‘negatieve uitkomst’ niet zijn ingediend. Ook in uiterlijk en geluid waren deze twee vogels overigens niet een 100% match voor een oostelijke gele.

De CDNA volgt hiermee de ‘soepele’ lijn van de meeste Europese dwaalgastencommissies. Omdat oostelijke gele kwikstaart geen extreme dwaalgast (meer) is in Europa, acht de CDNA een verplichte positieve DNA-analyse een te hoge drempel voor beoordeling van deze groep cq deze soort.

Summary
Following the acceptance of an ‘eastern yellow wagtail’ Motacilla tschutschensis/macronyx/taivana on Texel, Noord-Holland, the Netherlands, on 15-19 October 2022 (second record), the Dutch rarities committee (CDNA) has clarified the criteria for possible acceptance of this species group (or species, Eastern Yellow Wagtail M tschutschensis, under Avilist), focussing on first-year birds in autumn and winter. Without DNA analysis, reports can be accepted but only when both vocalizations and morphology are well documented (by sound-recordings and photographs/video) and show the full combination of characters necessary to exclude Citrine Wagtail M citreola, ‘grey-and-white’ Yellow Wagtails M flava and possible intergrades. Most important are the rasping second part of the call (for details, see Dutch Birding 36: 295-311, 2014), very long hindclaw, pale base of lower mandible, thinner pale wing-bars than in Citrine, absence of pale surrounding of ear patch as in Citrine, rather contrasting head pattern and often rather darkish upperparts. Two reports of ‘grey-and-white’ yellow wagtails in (late) autumn in the Netherlands have, based on DNA analysis, been identified as intergrades with western taxa. Interestingly, these two did not fully meet the criteria for vocalizations and plumage of an ‘eastern yellow wagtail’.

Feedback?